Midden november moet ik een tweedehands tv-meubel ophalen in Limburg, en ik besluit er mijn eerste dagje GR128 van te maken. Ik parkeer aan het station van Tongeren, neem de trein naar Bilzen, en – soms kan het leven simpel zijn – wandel van daaruit terug. Over de ruim 27 km doe ik zo’n 7 uur effectief.
Ik ben nog maar aangekomen aan het station van Tongeren of de verontrustende boodschappen slaan me al tegemoet. Toch wat somberend stap ik de trein in.
In Bilzen volg ik het pad langs de visvijvers van de Katteberg. Het herfst volop, en op een bladderend bordje houdt een gezet baasje z’n facieloze fikkie donosorgewijs aan de lijn. Zo hoort het.
Meteen passeer ik ook de eerste eiken-met-maretak, een in het oog springend landschapskenmerk hier in de streek. Met het tanende loof is het het ideale seizoen om er optimaal van te genieten.
Bijwijlen vertonen de vlonderpaadjes eigenzinnig bochtenwerk. Het olifantenpad negeren en zulke vertragende wegen plichtsbewust volgen vind ik altijd iets grappigs hebben, dus zomaar in mijn eentje schiet ik in de lach. ‘Kijk, mama, ik maak een ommetje.’
Het is een van die dagen waarop de media berichten dat het aan zee op de koppen lopen is. Ik bid dat het hier niet zo’n vaart zal lopen, maar er is geen reden tot bezorgdheid. Op deze zaterdag lijkt de streek uitgestorven.
Vreemd genoeg loopt het parcours van de GR niet langs of door het domein van Alden Biesen. Ik wil het complex toch wel eens zien, en besluit even door te steken. De kaarsrechte weg naar de Landcommanderij is geflankeerd met fotogenieke sculpturen.
Het immense domein loop ik slechts een eindje in, maar de hoofdgebouwen maken wel indruk. Al ziet het er allemaal iets te gelikt uit naar mijn smaak, toch bevalt het, en onder het oude lover is het genieten van de typische architectuur van de Duitse Orde. Ook bij een monument voor gevallen landgenoten houd ik een ogenblik halt.
Terug op de route loop ik de eerste van tientallen holle wegen in.
Ik passeer de pittoreske Jeugdkapel, met daarvoor de in 2019 tot “4DE SJÙNSTE BOOM VAN HOESELT” gekroonde wonderboom, en steek de Demer over, hier nog een stroompje van niets.
Accidenteel-poëtischer vind ik de Wermbeek. Wermbeek, zeg ik hardop: Wermbeek.
En warempel, even later ben ik in Werm zelf. Wie verzint zoiets?
Opzoeken dus: Werm werd voor het eerst vermeld in 1176 als Werme; de naam komt waarschijnlijk van worm (kronkelende beek). Ha, bedenk ik: al die middeleeuwers in een tautologische deuk als ze dat rivierbordje hadden gezien: de Kronkelbeekbeek.
In het dorp staan er tal van grenspalen, want naar ik lees was er op het grondgebied Hoeselt vroeger vaak hommeles over wat wie toekwam. Van die stammentwisten is vandaag de dag gelukkig niets meer te merken.
Wel slaat een bont wit buurtschap m’n doen en laten gade.
Het is verder prachtig hier; het lijken de Cotswolds wel.
Intussen beginnen de kilometers wel danig in mijn zolen te zitten. Normaal gesproken rust ik zelden, ook niet om te eten, maar ik heb het onverwacht warm, en ik ben dankbaar dat ik even kan verpozen. De paar fietsers en medewandelaars groet ik in mijn hier vreemde accent.
Licht verzuurd maar inwendig versterkt besluit ik wat verderop het vlonderpad rechts te laten liggen. De bodem is verre van drassig, en met verende tred schiet het weer goed op.
Aan de zoom van het stemmige Wijngaardbos hebben onverlaten een zorro-badeend opgeknoopt. Wie doet zoiets, en vooral: waarom? In me vloeit het geschrei van duizend kinderogen.
Voor ik ’s Herenelderen binnenstap, gebiedt een spoorovergang me te wachten.
Een wegwijzer wil me naar Henis sturen. Ik verwonder me er vooral over dat er geen vandalisme op is gepleegd.
Het gehucht zelf heeft een rijke geschiedenis. De uit mergel opgetrokken Sint-Stefanuskerk is gesloten, maar ook de buitenkant is de moeite waard.
Naast de poort van het Waterkasteel van Renesse prijkt een dubbelkoppige adelaar.
Het gaat verder en verder, richting Berg. Nog steeds maken maretakken de wacht uit.
Aan een oud schooltje verrast me een levensgrote olifant.
Het is een werk van Zephyr’s Lodge, een bedrijf dat zich al jaren toelegt op replica’s van mensen en dieren. Even verderop ligt zelfs een heuse potvis. Hongerig gromt mijn innerlijke Ahab.
Het is nog steeds prachtig stappen hier in het veelal onverharde groen, dat ik deel met pelgrims uit eeuwen geschiedenis.
Bijna in Tongeren begint er toch wat te schuren. Gelukkig is het niet ver meer.
Ik moet alleen nog natuurpark De Kevie door, waar er na een stille, eenzame dag voor mij te veel wandelaars zijn. Dat is wel vaker zo naarmate je dichter bij centra komt, en het zit me dwars dat dat me stoort. Alsof ik er het alleenrecht op zou hebben te genieten van de goede lucht, de loverpracht, de spiegelzilveren Jeker…
Via de omwalling loop ik dan het centrum van Tongeren binnen, waar de Onze-Lieve-Vrouwe-basiliek haar status van UNESCO-werelderfgoed alle eer aandoet. De kerktoren is een van de vele belforten die ons land rijk is: een uniek vermenging van het wereldse met het religieuze.
En dan, onvermijdelijk, op het plein voor de basiliek, groet ik Ambiorix als een oude vriend. Horum omnium fortissimi sumus … een mens mag dromen.
Een prachtige etappe, en eens helemaal buiten mijn normale ruimtelijke beleving. Limburg ervaar ik altijd als heel anders dan ‘mijn’ West- en Oost-Vlaanderen, echt als buitenland. In die zin zijn Grote Routepaden als deze GR128 een grote verbinder. Ik keer hier zeker terug.
Het begin van de week verlengde herfstvakantie belooft stralend weer. De kinderen hebben genoten van onze eerdere escapade aan de kust, en het kost me weinig moeite hen over te halen tot alweer een wandeling, ditmaal van Oostende naar Wenduine. De 18km oostwaarts leggen we af in vier en een half uur effectief.
Onze auto parkeren we iets over de vismijn, tussen de vaargeul van de Voorhaven en het Visserijdok, op de parking vlakbij het veer. Het is er nog heerlijk rustig. We vergapen er ons vooral aan de VOLE AU VENT, een kolossaal offshore jack-up installatieschip waarmee windmolenparken geïnstalleerd worden. Voorbij het Zeewezendok liggen de ontzagwekkende masten en wieken al klaar.
Een metalen sluisbrug geeft uit op de Slipwaykaai, waar een kolonie meeuwen de staketsels van de scheepshellingen voor zich alleen claimt. De droogzetinstallatie ademt verval, maar voor hetzelfde geld is ze nog in gebruik: de macht van de zilte sloopmachine Noordzee is moeilijk in te schatten.
Op de blinde muur van een van de loodsen daar prijkt driewerf anamorf Delfts blauw, een trompe-l’oeil van kunstenaar Leon Keer. De doemscenario’s op de faience waarschuwen onopvallend voor de gevolgen van de klimaatopwarming – hét import-export-product van onze tijd.
Aan de overkant van de geul ligt het Klein Strand, met op het Zeeheldenplein Arne Quinzes signaalkleurige sculpturencluster: blasfemisch-rode kunsttereur volgens de enen, een markante blikvanger volgens anderen. De waarheid ligt zoals zo vaak niet in het midden.
In ieder geval leidt de groep mijn aandacht af van het bordje dat er echt toe doet, en in een moment van onverhoedsheid dreig ik finaal theatraal vast te komen te zitten in een verraderlijke vlek drijfzand. Het gevaar dreigt overal. Mijn kinderen staan erbij en generen zich dood.
We stappen verder, langs overblijfselen van de Atlantikwall: de luchtafweerbatterij Halve Maan, en Batterij Hundius, in de Tweede Wereldoorlog gebouwd door Russische en Oekraïense krijgsgevangenen, met geschutskazematten, munitiebunkers en plaats voor manschappen. Nu is het gebouw in handen van de Belgische Zeemacht. Wie weet waar het goed voor is.
We schampen ook het 19de-eeuwse Fort Napoleon, maar dat deden we eerder al eens aan, dus laten we het gebouw rechts liggen en lopen meteen de Spinoladijk op, die al meer dan een eeuw lang de duinen tegen de getijden moet beschermen.
Naamgever Ambrogio Spinola was een nobele onbekende voor me, maar hij blijkt de militaire strateeg te zijn geweest die tijdens de Tachtigjarige Oorlog een eind maakte aan het jarenlange Beleg van Oostende. Met dit onfortuinlijke worstelperk was ook Vlaanderen ooit een Troje rijk. In Den Nassauschen laurencrans uit 1610 klonk het over die periode zo:
t Belegh van Oostende passeert Troye en Carthago Oostends langh belegh, ‘t gewelt aldaer bedreven, Met al die listigheyt, en mannelijcke feyten: Soodanigh zijn, dat noch Troia, noch ‘t verheeven Carthago, met daer om d’eer sullen durven pleyten.
We wagen ons tot de vloedlijn, en worden strandlopers onder strandlopers. Vooral middelman zuigt de branding aan. Op de nipper kunnen we natte voeten vermijden.
Het zand is allesbehalve egaal of uniform. Onder de wisselende wolkendeken glimt het olieachtig, soms goud, soms gitzwart, als waart hier de geest van duizenden besmeurde vogels rond. Onze stappen laten indrukken waarvan de strakke wanden haast meteen uiteenrafelen, en waarin grondzeewater welt. We zijn slechts bezoekers hier.
Ter hoogte van Bredene ondertunnelen we de duinen richting centrum, belust op een middagversnapering. Op het plein prijkt pront “De wind”, het prikkelend-uitdagende brons van kunstenaar Irénée Duriez, dat in de volksmond ook wel “Blote Betsy” heet. Blote Betsy, provocatief en toch puur natuur – waar toepasselijker dan in Bredene, waar in de voorbije coronazomer ter betere spreiding het naaktstrand even weer textielstrand werd?
Inwendig versterkt trekken we verder. Als we na een stuk asfalt opnieuw de duinen in kunnen, zoekt middelman een knuistig knuffelcontact en blijft onbekommerd hangen.
De omgeving is al even gelukzalig. Gelen, groenen, grijs, roest en wit, met hier en daar een toets egelantier. Het mulle zand vertraagt, en wat we zien ademt vakantie.
Het is natuurlijk zonde dat er door de bebouwingsdruk alleen korte stroken duingebied overblijven, maar wat er rest is prachtig. Voor wie wil kán de kust niet cliché worden.
Onder ons opent zich intussen het weidse strand. Het uitzicht smeedt ons gevieren dichter aaneen – de drang tot een familieportret groeit. We schaduwmensen.
Op de duinkam trekken we dan verder richting De Haan. Het helmgras prikt me schelms in de benen en zo madeleinegewijs een ver verleden in, waar ik met mijn moeder en mijn broer zalige zomerdagen doorbracht in de Panne. Ik hoop dat mijn kroost hier even gouden herinneringen opdoet.
Verderop lonkt de kersverse vuurtorenvan kunstenaar Guillaume Bijl, een uitkijkpunt in een deels gerealiseerde reeks van soortgelijke constructies, onder de vlag Horizon 2025.
Daar, in Vosseslag, gaan we even van de duinen weg, versperd als die zijn door de met hekwerk afgezette Koninklijke Golfclub. Voor die extravaganza van Leopold II zijn we niet zo gewonnen, en de vingerwijzingen op de bestrating volgend geven we impactloos uiting aan ons proletarisch ongenoegen.
Via de Duinbossen van Klemskerke en de oude bedding van de stoomtramlijn komen we dan echt aan in De Haan, die vreemde concessie zonder hoogbouw, waar de belle époque stil is blijven staan.
De “plage boisée et fleurie“, zoals toentertijd le Cocq-sur-Mer werd gepromoot, is een speels stukje Vlaanderen, en in deze poppenhuiswijk was het dat Albert Einstein de zomer van 1933 doorbracht, tot het ook hier te gevaarlijk werd en hij naar de VS emigreerde. Zijn zittend standbeeld lopen we ijsjeslikkend voorbij.
Eens uit het centrum resten ons nog de Duinbossen van Vlissegem en Wenduine. Op en neer slingert het pad, tussen zwarte den, abeel, esdoorn, wilg en populier.
Iedereen houdt zich kranig, maar toch is het vet wat van de soep, en er wordt stiekem reikhalzend uitgekeken naar de wandelboom, die ons tot de kusttramhalte zal absolveren.
Wenduine Konijnenpad, verder komen we vandaag niet. Maar wat deert dat, na zo’n schitterende dag? Bovendien leidt de route van hieraf het poldervlakke binnenland in, wat ik voor een latere solotocht reserveer.
Terug in Oostende rest ons nog een stukje van de havenvariant, die ons op verhoogde bermen via de Wandelaarkaai, de ijsbergen aan de mijn en ook de onontkoombare VOLE AU VENT weer tot ons startpunt brengt.
En daarmee is de circkel rond. Moe en vervuld van alle indrukken rijden we voldaan naar huis.
Aan het eind van de eerste week herfstvakantie steek ik de grens nog eens over voor een beloftevolle, pittige etappe: van Axel naar Sas van Gent. 39 hele kilometers zijn dat, waar ik 8 uur effectief over zal doen.
Iets voor achten is het als ik in Sas van Gent het parkeerterrein van het Industrieel Museum oprijd; het gloort al volop. In de ochtendkou is de gouden aura over het Kanaal Gent-Terneuzen een welkome oppepper, want eerst moet ik nog drie kwartier de trappers op. Het is bibberen en beven, maar ook de zon vat gestaag haar baan aan.
Aan de Grote Kreek houd ik even halt om naar lucht te happen: zo mooi is het hier.
Vertrekken doe ik opnieuw bij de Gdyniabrug in het buurtschap Kijkuit, van waaraan ik eerder al naar de Wase grensgemeente De Klinge stapte. Mijn rijwiel zet ik vast tegen hetzelfde paaltje: habitué, ik.
Nu pas zie ik dat er voor de verdwenen noodbrug uit WW2 ook een monument is opgericht, met zelfs een stalen snelbouwelement ter illustratie. Ook ik breng aan de Eerste Poolse Pantserdivisie een saluut: hier bouwden zij / in verdronken klei / in felle strijd / de brug naar (ook) onze vrijheid.
Rijm is er overal om me heen. Vrieshelder is de lucht, maar in de verte hangt ochtendnevel, en de velden zijn wit berijpt. IJzig hoogspannig spiegelen de kabels boven me het herfstspinrag hier beneden.
De rust overweldigt; alleen de poldergrond knarpt en zuigt onder mijn zolen. Dit is pas ademen: niet hoesten, happen haphap, niet hoesten / adem rustig in en uit, adem in / en uit, niet hoesten, adem in adem in… (Hélène Gelèns)
Beter rijkelijk laat dan nooit waarschuwt een bordje me voor modder; spreekwoordelijk neem ik het mee.
Ik dwars een verkeersweg en loop dan richting Groote Gatkreek, een scabreuze naam waar ik bengelachtig plezier in schep. Eenzaam wandelen, je verliest er je verstand bij.
Zo langzaamaan raak ik helemaal in the zone.
Ik betreed de 17de-eeuwse Staats-Spaanse Linies, een zoveelste stille getuige van de Tachtigjarige Oorlog, toen de Nederlanden verbrokkelden in noord en zuid. De verhoogde linies flankeerden vroeger het nu verdwenen Axelsche Gat, een door doorstoken dijken gezwollen zeearm, en vormen een snoer van forten, die aan Spaanse zijde heiligennamen dragen: ik passeer Fort Nicolaas, dan de Forten Livinius, Jacob en Jozef. Aan de Staatse overkant, lees ik, koos men prozaïscher namen, met Fort Scherpbier, Grotendorst, Bekaf, Misère en Boerenverdriet. De volksaard aan het werk. Maar waarom herinner ik me eigenlijk zo weinig over die oorlog, die onze streken helemaal hertekend heeft?
Boven me smurft de lucht helblauw. De ochtendmaan blijft dapper staan.
Sommige verhogingen zijn vergeven van trosjes petieterige, peentjeskleurige bekerzwammen; op en top grassroots markeren ze van onderuit de grensstreek als van Oranje.
In de berm naast het pad heeft een haas zijn laatste oversteek gewaagd. In de romp gaapt een rafelig gat, dat niet strookt met de nog kwieke blik, en op het grind loopt een scharlaken spoor. Aaien durf ik het prachtige beest niet, zo ongenaakbaar souverein ligt het hier.
Aan de Pereboomsgatkreek snor en baard ik een eerste grenspaal voorbij. Hier wordt gewandeld, verder niets.
Op Belgische bodem dan zijg ik voor de lunch een kwartiertje neer op een bankje aan de Grote Kreek, een ondiepe plas vlak naast Moerbeke, waar in de oorlog contrabandiers bepakt en gezakt naar de overkant waadden.
De staatsgrens zal vanaf nu een prominente plek opeisen – in sneltempo volgen de markeringen elkaar op. Aan de gemeentegrens staat paal N°294 toepasselijk tegen een EURO-HEK geprangd.
Ik stap het land weer uit, Overslag in.
Dat ik weer aan het buurten ben, verraadt niet alleen een geestverruimde inkerving in mijn picknicktafeltje: het ook vlagmatig allereerste huis van Nederland maakt letterlijk aanspraak op de grens. Nog voor ik er erg in heb staat de bewoner al naast me: of ik weet wat dat wil zeggen, wil hij weten, of waar we ons bevinden, zowaar bezuiden Brugge namelijk, en dat ja, inderdaad, de m helaas-helaas een n lijkt.
Ik ben tegelijk in alle staten – Vlaming, Zeeuw, in de nevelige eeuw na de Vrede van Utrecht zelfs even Habsburger. Happen haphap, grap ik, tegen niemand in het bijzonder.
Nergens staan de grenspalen dichter bij elkaar dan hier. Finaliter doet het er natuurlijk niet toe, maar zelden eerder voelde ik me zo verbonden met dit dichte zuster-Vlaanderen.
Hoe toepasselijk dat de oude grenspost nu frituur geworden is.
Die, driewerf helaas, vandaag gesloten is. Gelukkig heb ik zelf nog één middagboterham over om de hoogste nood te lenigen.
Een pad door de weilanden is wel heel drastisch afgezet. De dreiging van plotsklapse elektrocutie maakt me beducht op angstvallig struikelen. De installatie herinnert aan de Dodendraad, die ook hier de grenslijn volgde.
Een paar veldwegen geven uit op de Langelede, een 14de-eeuws door mensenhand uitgegraven kanaaltje, oorspronkelijk voor het transport van zand, turf en beer. Het is er heerlijk wandelen in goed gezelschap van een balorig-adolescente zwaan en de zakkende avondzon. Een pop in een oliejekker geeft het geheel nog meer cachet.
Op een buis aan de Oudenburgse Sluis houdt een groepje duiven het na de lange dag voor bekeken, maar ík moet nog even. Zoals wel vaker heb ik de onderneming danig onderschat.
Een heel eind loop ik op de grens. De avond valt nu echt, en een voorlaatste keer waag ik de oversteek.
Ik moet nog het Canisvliet door, het natuurgebied rond een voormalige getijdengeul die nu een vogelrijke kreek is geworden. Het schemert er, en ik moet oppassen voor wortels en takken, maar mijn ogen wennen snel. De avond hult me in zwijgen. Adem in / en uit.
Daarna rest me nog een eind jaagpad. Ik zie mijn doel liggen, maar moet in het gehucht Westdorpe nog een boogje omlopen om de brug over te raken. Het brengt me uit mijn sas, en op loden schoenen slof ik de laatste eindjes richting auto.
Stikkapot, verdwaasd, verdoofd ben ik, maar evengoed verrukt en in vervoering. Weerom zijn er vandaag grenzen verlegd.
Daags na een eerste kustwandeling samen met de kinderen besluit ik op woensdagmiddag impromptu om in mijn uppie een korte etappe te gaan wandelen. Volgens mijn topogidsje zijn het maar 19 km van Westouter naar Proven, een klus die ik in een uur of vier wel meen te moeten kunnen klaren. Dat lukt me uiteindelijk ook – al is dat succesje maar het halve verhaal.
Door mijn eeuwige gedremmel vertrek ik pas iets na 13:30 uit mijn thuisstad Harelbeke. Omwille van het late uur ga ik niet eerst trappen, maar stal ik mijn fiets op de markt van Proven en rijd ik met de auto terug naar Westouter. Omgekeerd ware qua afstanden logischer geweest, maar mijn oordeelskracht blijkt aangetast, want tegen beter weten in houd ik vast aan mijn oorspronkelijke plan om de Westhoek noordwaarts door te trekken. Daardoor is het toch al bijna kwart voor drie als ik mijn wandelschoenen aantrek, en dat doe ik met een bang hart: de zon gaat vandaag onder om 17:15, en een snelle rekensom leert dat ik nadien nog ruim 7 km zal moeten stappen. En hoelang zou de avondschemer hier aanhouden?
De hele wandeling zullen die zorgen zich boven het lege landschap verzinnebeelden in steeds complexere wolkenformaties, tot het onherroepelijk donker zal worden, en ik me in mijn lot moet schikken. Op het lijnrechte aarden pad door de velden, Westouter achter me latend, voel ik hoe de avondkilte nu al hinterrücks de lucht omklamt.
Van de iconische hopvelden resten in dit seizoen alleen troosteloze staken, omzoomd door stugge pieken, wachtend misschien op de ruiters, wit, rood, zwart en grauw, die ooit zullen komen. Ze lijken op scherp te staan, zinderend in hemelsblauwe onschuld.
Ik stap langs kniehoge canyons, troosteloze moddervlaktes badend in koel, metalig licht. In de schaduw van de steeds grotere cumuluswolken zakt de temperatuur pijlsnel.
In een heg ontdek ik een spandoek met een roze hart, om dat de zorgsector onder de riem te steken. Mensen leven mee, ook hier op de grens met Frankrijk. Ik groet de onkruid wiedende bewoonster in twee talen, maar wordt van haar afgemeten knikje weinig wijzer. Sainte Marie, Moeder Gods, / Priez pour nous, arme zondaars. / Nu, et à l’heure de notre mort.
Hele akkers zijn gehuld in ragfijne herfstdraden. Ze getuigen van nieuw leven, weet ik, maar zo voelt het niet.
Naast een bakstenen stal blijft een kudde schapen stokstijf staan en slaat mijn doen en laten gade. Ze zijn op hun hoede, zetten zich schrap. Voor de vlucht of de aanval, wie zal het zeggen. Eén schaap komt wel heel resoluut over.
De constrasten worden steeds feller. De poelen in de gitzwarte akkers lichten vlammend op onder de schitterende jacobsladders. Aan de kim verschijnt de torenspits van de Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangenkerk van het grensdorp Abele. Ik ben nog verre van halverwege.
Een paar ogenblikken lang toef ik in een bloemenveld langs de weg, met distels en zonnebloemen, die de laatste wolkenstralen drinken.
Dat dit echt grensgebied is blijkt als ik eerst de Frans-Vlaanderen- en dan de Abeelseweg oversteek, de N48, en het verkeersbord alle twijfel wegneemt. De huizen gloeien baksteenrood in de ijzige avondzon.
Op een landwegel wat verderop herinnert een sluikdump met kruiende vezelcementplaten aan De IJszee van Caspar David Friedrich – gesublimeerde hopeloosheid die de winter aankondigt.
Het kleine Helleketelbos, op een heuvelflank grenzend aan de vallei van de Bommelaarsbeek, doorkruis ik best snel. De kalende kruinen kleuren oranje in de gloed van de ondergaande zon.
Een kansloos in de drab gezakt koebeest kijkt me met lede ogen aan. Wat doen we hier, vraag het zich samen met mij af. Ik denk aan de frontsoldaten, geplaagd door loopgraafvoet en de duizenden drama’s die nu onder een dikke laag klei bedekt zijn.
Intussen ben ik het grondgebied van Sint-Jan-ter-Biezen ingelopen. Het is niet zo schrikkelijk ver meer, maar de stippellijn op mijn kaartje gaat allesbehalve in vogelvlucht, en slingert door het akkerland. Met de groeiende zekerheid een heel eind nog in het donker te moeten stappen is het moeilijk ten volle te genieten.
De avondschemer zelf heeft wel een sobere grandeur. Het kleurverloop is in pasteltinten gehouden, in een floue opeenvolging van grijzen, blauwen en roze. Het vale, verschoten spectrum stemt tot rust.
Ik dwars de Provenseweg en bagger door een veld spruitkool. Avonddauw legt een rijpig laagje over de bladeren. Even halt houden. Hier sta ik dan, in het schemerdonker, a sprite among sprouts, mijn eigen chouchou.
In de verte brandt licht. Het groepje huizen markeert de toegangspoort tot kasteelpark De Lovie, waar in het wooncentrum al jaren een jeugdvriend verblijft. Ik hoop dat hij het goed maakt hier.
Ik trek mijn fluohesje aan, beducht op lokale hardrijders die de baantjes beter kennen dan ik. Ik twijfel of ik niet beter rechtstreeks naar Proven loop, maar besluit te volharden en toch de route te volgen, pugnans in tenebris.
Via de Canadaweg hompel ik door het aardedonker het kleine Theetbos in. In het wankele schijnsel van mijn smartphone voel ik me een indringer. Om de zoveel voet scharrelt er wat in het onderhoud of vliegt een verschrikte duif op, en het kost me moeite mijn zenuwen in bedwang te houden. Ik ben niet snel bang meer in het donker, maar dit is toch een ervaring.
Bij een hoeve niet ver van de Haringebeek is een tractor met een berg bieten in de weer. Het is nog maar twintig voor zeven, maar het holst van de nacht kon evengoed. De wolken zijn verdwenen, de hemel is leeg.
Omdat ik Proven zie liggen mis ik een afslag en loop ik nietsvermoedend een hopveld in. Ook hier spiesen de pieken vervaarlijk, jagend op Grote Beer, Lynx en Giraffe. Ik laat me omnachten.
Eindelijk dan bereik ik de dorpskern, maar ik moet nog terug naar Westouter, drie kwartier fietsen ver, stram en doorkild als ik ben. De kou en het Heuvelland eisen hun tol.
Als ik eindelijk aankom neem ik me voor: zo nooit meer.
Op een stralende ochtend in de herfstvakantie loop ik samen met de kinderen mijn eerste etappe aan de kust. Ik dacht dat ze na eerdere traantjes en nukkigheid wat huiverachtig tegenover dat voornemen zouden staan, maar na goede zomerse ervaringen in Oostenrijk en de belofte van zon, zee en ijscrèmezabberen zien ze het dan toch al snel wonderwel zitten. In ongeveer 4,5 uur effectief stappen we van De Panne naar Nieuwpoort, in totaal bijna 18 km.
We parkeren op het nog verlaten terrein aan bezoekerscentrum De Nachtegaal. Iedereen krijgt een rugzakje om met eigen proviand, en gelukkig net niet zingend trekken we de Oosthoekduinen in. De sfeer zit goed, de jonge honden zijn uitgelaten.
We veren op van de laatste vers gevallen bladeren. De getorste nakende struwelen zijn verre neven van het Dansende Bos op de Koerse Schoorwal, en gewoon hier, in de mosduinen en het duingrasland van De Panne, waan ik me even vele einders ver weg, in Litouwen en Rusland, in de naald- en berkenbossen aan de Oostzee.
Af en toe snijden we door een stuk bewoonde wereld. Naast sporthal Den Oosthoek vinden we na ruim een kilometer al een hoogteparcours. De onderste niveaus zijn vrij toegankelijk, en meteen wordt duidelijk dat dergelijk speeltuig een ongelooflijke aantrekkingskracht bezit: uiteraard op de kinderen, die elkaar achterna dollen en als halfwassen slingerapen spagaats hun klimding doen, maar ook op mij – het duurt niet lang of ik liaan gibbonsgewijs van touw naar touw, binnensmonds oerkreten slakend … om uiteindelijk, ik geef het ruiterlijk toe, gelukkig zonder veel erg nogal klunzig tegen een van de pijlers te smakken. Maar wie maalt om een beurse plek min of meer bij dit soort onbetaalbare zorgeloosheid?
In Sint-Idesbald heeft een meermin-mural al evenveel plezier. Zorgeloos geniet ze van haar zielensprong op de muren van Home Mathilde Schroyens, het in 2014 teloorgegane jeudgvakantiecentrum van vzw Kindervreugd. Decennialang vierde hier de Antwerpse jeugd zeeklassen en strandvakanties, nu klinkt er enkel het zilte fluiten van de wind. Ik hoop op een herbestemming met een hart voor nostalgie.
Over een veerooster lopen we de begrazingszone van de Noordduinen in. Ezels doen zich tegoed aan de stugge vegetatie.
Op de eerste echte helling al zijn de kinderen niet meer te houden: er moet gesprongen, gerold, geschreeuwd. Ik geef hun groot gelijk, en vier de teugels. Het zand in de schoenen nemen we erbij.
In Koksijde prijkt statig de Hoge Blekker, de hoogste duinrug van ons land. Helm- en duinzwenkgras wisselen af met duindoorn en ligusters. Opnieuw worden er registers opengetrokken die schril afsteken tegen het verstilde herfstlandschap. Een meegesmokkeld balletje vliegt door het zwerk.
We lopen verder, de Doornpanne in, een begraasd gebied met stuifduinen, dichtbegroeide pannen en gefixeerde binnenduinen.
Een korte miezerbui waait zo over, en in de pastelhemel verschijnt een uitgewassen regenboog.
Op een panoramaplatform zoeken we samen zichtlijnen, ankerpunten. In de verte zien we al de bonkige torens en zadeldaken van de Sint-Niklaaskerk van Oostduinkerke. Een man schildert en plein air – ook iets met ezels.
Boven de middendoorgang in de westtoren van de imposante kerk hangt een gigantische gekruisigde Christus, naar ik lees het grootste gegoten terracottabeeld ter wereld. Een van de aartsvaders is er met zijn kippen bij om een graantje mee te pikken van het marktse leven op het plein.
Intussen slaat in golven de vermoeidheid toe. Beurtelings wordt er gemokt, gebokt en gesjokt. Af en toe pauzeren is echt wel nodig, maar het meegebrachte knabbelgoed doet wonderen. Het is hier nochtans erg mooi, met duizend tinten groen, blauw en geel.
Een hoge rug wordt bedwongen, en we pauzeren even voor een kiekje voor het arbeidende thuisfront.
Via een veesas lopen we dan het laatste aaneengesloten duinengebied van vandaag in: eerst de Spelleplekke, dan Ter Yde. De namen klinken even exotisch als vertrouwd.
Het stuift door de aangetrokken wind, en middelman is opeens niet meer vooruit te branden. Met mijn buff als zandvisier weet ik hem ten langen leste toch te motiveren om de vlakte over trekken. Dat doen we in verspreide slagorde: tegen de elementen is het uiteindelijk ieder voor zich.
We kruisen de drukke Albert I-laan, en in de Zeebermduinen passeren we een relict uit WW2, het Duitse Widerstandsnest Waldersee. Zulke weerstandsnesten vormden het kleinste type infanteriesteunpunt in de Atlantikwall, en moesten de gaten dichten tussen zwaarder bewapende stellingen. Nu is het er stil.
En dan zien we ze na al die uren van dichtbij, de Noordzee. Het waait nog steeds oerend hard, en op de baren halen kitesurfers halsbrekende kunsten uit. We houden even halt bij dat spektakel, en gaan er zelfs even bij liggen, middelman op kop.
Eindelijk lopen we Nieuwpoort-Bad binnen, even nog op het strand, tot we op de dijk een crèmerie ontwaren en we ons allemaal twee bollen gunnen. We zijn niet zo van de hoorntjes, en gestaag onze kuipjes lepelend laven we ons op de verharde boulevard.
We kijken op een ware muur van appartementen, waarvan de vrije zeeblik de doorkijk naar het hinterland verspert. Maar het geeft geen pas ons daarom druk te maken: ook dit is Vlaanderen, en het is lovenswaardig dat het grote routepad ook deze zijde van onze gecollectiviseerde kust laat zien. Onverbloemd – warts and all.
Na dit passend contrapunt, aan de monding van de IJzer, gaan we op zoek naar de Kusttram, die ons gezwind en veilig autowaarts spoort.
Op een zondagmorgen begin oktober neem ik me voor van Zwijndrecht naar Kruibeke te wandelen. Ik verkeer in de waan dat het een eitje wordt: 22 km maar volgens mijn topogidsje. Uiteindelijk blijken het er evenwel 27, en ook weer en wind eisen hun tol. Ik stap ongeveer 6 uur effectief over het lastige, maar uitermate verrassende traject.
Mijn auto laat ik achter aan de kerk van Kruibeke, en windekinds trap ik naar Zwijndrecht. Twintig luttele minuten later al stal ik me naast nog dommelend foorgekraam. Binnensmonds vloek ik, want in de namiddag, als ik mijn fiets kom ophalen, wordt het hier vast Lucky Duck-druk.
Het is buiig, dus bevestig ik mijn broekklemmen en houd mijn regenoutfit aan.
Langs het kerkhof weg zet ik er flink de pas in.
Een boom staart me uitdrukkingsloos aan. Wat wil die man hier?
Op de plankenwand van een tuinhok knipoogt Plop nalatige baasjes guitig doch gebiedend toe. Ik, hondloos, stem voor één keer in met de overjarige melkhuispatron, en trek hopperdemopper via Vredespad en Vlietestraat het groen in.
Een eerste long is het Vredesbos, waar mijn geestesoog voor een twijgenwigwam verknipte Vredesmieren een walmende pijp ziet doorgeven. Op de viertalige totem prijkt gelukkig verzoenend een GR-markering. Völkerverständigung mag het ook van eenvoudige symbolen hebben.
Een vroege vlucht ganzen doet me dromen; een blinde muur opent een vista naar een verre einder.
Ik wil mee vreugde scheppen, in alle betekenissen die het woord rijk is, en stap door, via het Vlietbospad en de Verbrandendijk naar de brug over de R1.
Het voetpad is onderbroken, maar ik zie geen alternatief om de ringweg te dwarsen. Eerst neem ik me voor om op de smalle berm naast het hekwerk behoedzaam verder te gaan, maar na een paar hachelijke momenten wissel ik naar het godverlaten werfterrein in de middenstrook.
Het is prettig op de wandelronde eens uitgesproken géén groen te zien. Het wildvertakte wegennet herinnert aan de hoes van Radioheads OK Computer – binnen enkele maanden kan hier weer aangeschoven worden. Hearts full up like landfills / Bruises that won’t heal.
Aan het tramkeerpunt zingt een verdwaalde mier van Alle Menschen werden Brüder.
Enigszins getroost steek ik over naar Het Rot, een deel van het natuurgebied Middenvijver.
Het is er zanderig, met plassen en kreken en heideachtige begroeiing. Er zijn wel wandelaars, maar het is hier zo uitgestrekt dat ik me ver van de bewoonde wereld waan.
Door het berkenbos snelt speels een driepotige hond. Wat zou ik dan de moed verliezen?
Ik steek de vlakte over. Aan de rand dreigen de flatgebouwen van Linkeroever.
Daar, tussen de blokken, liggen in een plas stille getuigen van een verbeten territoriumstrijd. Jong geleerd is oud gedaan, gongt het in mijn hoofd, en ik voel me betrapt: mijn gedachten joelen als een heir van donkerwilde machten, en slechts met moeite weet ik ze te bezweren. Vurig hoop ik dat de ban van het gezegde mag gebroken worden.
In de Willem Klooslaan staat op een pleintje een kroostloze wipvis, star en stil.
Verder, langs het Sint-Annabos, bereik ik de Scheldedijk.
In een kiosk op een enorme parking aan de Gloriantlaan tracht ijscocommerçant Adriaantje me haast obsceen te verleiden tot een Charly, een Upla of een Vanibloc. Ik likkebaard erheen, maar het wordt een kale reis: de producent blijkt enkele jaren terug failliet te zijn verklaard.
Op het Eilandje aan de overkant staat vandaag wat dofjes Zaha Hadids Havenhuis. Een waterbus glijdt voorbij.
Ik passeer het strand van Sint Anna, ga voorbij een scheef Seefbierbord.
En de bocht om torent de autochtone zendmast van Radio Minerva.
Daar ongeveer heb ik afgesproken met Near-Native Companion, vriend in donkere dagen, die me na een vorige etappe in het Waasland ook vandaag een eind zal vergezellen. Het doet goed elkaar terug te zien.
Niet veel verder al houden we bijpratend even halt bij het gesnerp van fanatiek rondjes draaiende modelbouwbootjes op een droef bassin. Wat er in die mensen gevaren moge zijn, vraag ik me af.
Daarna plenzen we door de jachthaven. Op een handvol klussende zeescouts na is er weinig deining. Het is er ook het weer niet naar.
Doornat raken we op de Boeienweide gevangen in het blikveld van vorst en vogel, reiger en roi. Het is een ambachtelijk bronzen beeld van een minzaam moreel baken, maar misschien is dit neige hellen ergens toch ook de voorbode van wankelen? Wellicht maken we dat nog mee.
Aan de voetgangerstunnel zullen onze wegen scheiden, maar eerst nuttigen we iets warms in Retro Café 2. Stoer weigeren we de terrasbrander en kleumen ingeduffeld bij een hete mok, pratend over lief en leed, zichtbaarheid, artistieke beslissingen en beklemmingen, steeds nieuwe beklemmingen. Deugd doet het.
Na het afscheid trek ik, voorbij Minigolf Beatrijs en een eik die me huiverend aan Batmans Scarecrow doet denken, alleen verder richting Galgenweel.
Op een smalle strook tussen Schelde en brakwatermeer guurt de wind me tegemoet. Ik probeer een boterham te eten, maar heb moeite het flapperende beleg op zijn plaats te houden.
Gecraqueleerde en bladderende borden in lang vervloden kleuren weren me. Niet-lid, vloek ik. Hier ben ik een buitenstaander.
Op Rechteroever intussen is de Ka’aba van Brabo verschenen, een schaalloze kubus die dienstdoet als onderstation voor de elektriciteitsvoorziening. Voor mij is de blinde petrolblauwe box een van de iconische hoogtepunten aan de stroom.
Intussen wankel ik boven een van de sleuven van de al even iconische Kennedytunnel. Het duizelt me dat ik hier zomaar kan staan. Ik durf haast niet te kijken, laat staan zwaaien. Het zoeven is gesyncopeerd, op z’n zondags sloom maar niettemin insistent.
Een paar passen verder maar sla ik rechts het pad door het Burchtse Weel in. Sinds 2011 doen de getijden hier weer hun werk – op de slikken en schorren pleisteren tal van vogels en ander gedierte. De scheppende en slopende macht van het water is onmiskenbaar.
Een bankje nodigt uit eindelijk mijn fietsbroek uit te trekken, want de zon is door de wolken gebroken. De aanblik van het weel is er grandioos – het is een moment om niet te vergete.
Op het pompgemaal verderop houdt een tribunaal aalschovers zitting. Van slechte wil noemt men een aalscholver ook wel waterraaf of koolgans, maar vooral het anagrammatische en Annie M.G. Schmidtiaanse schollevaar vind ik bij het vorstelijke dier passen.
In het dorpje Burcht doet een geveltje van TEAM BELGIUM.
Een tijdje baad ik in de warme bakstenen gloed van de Sint-Martinuskerk, waar in het hofje ernaast Adam en Eva innigst verstengeld zijn.
Omdat het volle uur binnenkort zal slaan wacht ik een paar minuten bij de buitenbeiaard, maar die blijft teleurstellend stom.
Ik smeed wel vriendschappen met enkele sympathieke bebaarde broeders op een camionette-je, wat – besef ik – in het Nederlands het niet minder sympathieke camiónnetje zou zijn. Maar sla me dood voor ik dat in compagnie zo durf te zeggen.
Aan de logistieke achterkant van het Fort van Kruibeke is het minder fraai. De afsfaltstraten liggen er rafelig en uitgeput bij. Hier en daar ontbreekt een raam, stapelt afgedankte huisraad zich op.
Maar een vroom vers geeft de klagers het nazien: En zoo uw pijn of smart / Of droefheid praamt te zeer // Zeg dan waarom geklaagd / De Heer leed nog veel meer.
Misschien.
Opnieuw is er natuurgebied, het Kortbroek. Een houten pad dwarst een vijver. Het is herfst.
Via het jaagpad bereik ik dan de Kruibeekse Polders, het grootste gecontroleerde overstromingsgebied van Vlaanderen.
Een ingenieus sluizensysteem creeëert er kunstmatige tijden, waardoor er als vanouds slikken en schorren ontstaan. Die sluizen dragen de namen van hun bouwers, en passen wonderwel bij de context. Zo is er de Meiresluis, toch op en top Antwerps, en ook de aquatisch toepasselijke Meyvissluis: die haringsoort leeft in zee, maar komt in het voorjaar in de Zeeschelde paaien.
De verdronken polders stemmen nederig. In zilvereren plassen sabbert het wassende Scheldewater aan de oevers. Onder het spiegelvlak verschuilt zich blei, brasem en baars. Op een lijnrecht vlonderpad steek ik het gebied over richting dorpskern, door riet en elzenbroekbos. Verduiveld goed beschutte watervogels doen snaterend mijn komst kond.
Over de verhoogde dijk loop ik dan Kruibeke binnen, naar mijn auto.
Ik zet me schrap voor het foorgedruis dat ik weet dat zal komen, en rijd bezield het Stad weer in.
Op de tweede zondag van september is het eerste leerstof wat gaan liggen en kan de riem er even af. In lustig warm weer stap ik van Wijtschate naar Westouter. Over de ruim 24 km zal ik een uur of zeven doen.
Na mijn ervaringen in Nederland heb ik de smaak te pakken: ik parkeer in Westouter aan de kerk, en fiets eerst vanaf het eindpunt naar Wijtschate, ruim 11 km heuvelland. Het vroege licht overgiet alles met een goudzilveren gloed. Vee gloeit op, loeit genoeglijk. De vaak harde boerenstiel romantiseren zou naïef zijn, maar hier en nu, in dit ochtendlandschap, mag voor mij de tijd stil blijven staan.
In Wijtschate las ik eerst een korte sanitaire stop in. Naast de kerk zijn er enkele trouwe pissijnen, waar op één ervan het gouden nat in het email een golden retriever lijkt te hebben weggestraald. Hij kijkt zedig om, mij niet aan. Zedig dus blaf ik op commando.
Ook ik ben aangeland.
Meteen buiten de dorpskern sinister ik het Kampagnebos in, een van de plekken waar vanaf begin 1916 de tunneloorlog en mijnenslag woedde tussen de geallieerden en de bezetter. Een van de gemetste schachten naar de Duitse tunnels vertrekt hier. ‘Dietrich’ heet hij, die schacht, van het Oud-Frankische woord thiuda, oftewel ‘heerser des volks’. Vandaag huizen er vleermuizen en een vergeten coronabeer.
Richting Wulvergem kruis ik de linies. Herdenkingsbomen markeren de Duitse en geallieerde stellingen in de Ieperboog met rood en blauw. Ik probeer me het niemandsland als maanlandschap voor te stellen, maar het lukt me niet.
Een bordje wijst de weg naar de heuvel waar voor de oorlog de Spanbroekmolen wiekte. Eronder werden in 1917 met 19 dieptemijnen verschillende ondergrondse munitiekamers tot ontploffing gebracht, een explosie die volgens oorgetuigen tot in Londen en Parijs te horen was. De enorme krater, 100 jaar geleden wel 27 m diep, is nu beschermd als de Pool of Peace, een bruinige plas waar waterlelies drijven.
Vanuit onze tijd blijft het onvatbaar wat zich hier moeten hebben afgespeeld. Hier op het veld klinken kikios obusios en benauwdios bom als de authentieke waarschuwingen die ze waren.
In Wulvergem zelf houd ik even halt aan het kerkje. Op een kerkhofje strekt een hond zich uit.
Het is geen Rataplan, maar intussen ben ik onmiskenbaar in het Verre Westen aanbeland. Ik zoek me een halm buffelgras uit om viermaags op te sabbelen.
In een voortuin langs het pad naar Kemmel staan naast een ruilbibliotheekje en een tot verpozen nopend prieel ook boodschappen van algemeen nut.
Een ervan komt in spijkerbroek manend uit het Verre Oosten: Examine si ce que tu promets est juste et possible car la promesse est une dette.
Aan de wegkanten ligt nog steeds wat de boeren bovenhalen aan springtuig; koeien pootbaden in wat ooit bomkraters waren. Ich gelobe …, ich verspreche … – in houwe en trouwe, tot Vlaanderen “Vlaanderen” heet, vul ik in gedachten aan.
In het het Engelse landschap van het Warandepark nuttig ik mijn bloemkoollunch in de schaduw van het neorenaissancistische gemeentehuis. Het gecombineerde geel van het crepiglas van de zijgebouwramen en de rudbeckia stemt me heerlijk nazomers.
Op de hoek van de Kattekerkhofstraat wijst een wandelboom me de weg de berg op.
Op de top bevindt zich een geodetisch punt, en mijn innerlijke Vermessungsrat roert zich. 156 boven zeeniveau.
Vlakbij ligt ook de zogeheten Kinderput, waar stelletjes die aan kinderen willen beginnen in moeten gaan liggen. Iedereen lijkt er in een saillante boog omheen te trekken.
Een kasseistrook voert me naareen obelisk ter nagedachtenis van de Franse soldaten die rond Kemmel het leven lieten tijdens de Grote Oorlog. Op vijf maanden tijd sneuvelden tijdens verschillende slagen hier in de streek meer dan 200.000 soldaten, van wie 82.000 Fransen. Het zijn cijfers die ook na een eeuw ontzag en rouw oproepen. Op een wrang erepodium blikt overwinningsgodin Victoria met lede ogen over het Ossuaire français, het massagraf aan de voet van de heuvel.
Iets meer dan 5000 Fransen vonden er een laatste rustplaats – slechts 57 van hen konden worden geïdentificeerd. Een Gallische haan kraait zijn treurend gram en roept hen bij hun naam.
Op het pad richting Loker fladdert me majesteitelijk een koninginnenpage toe. Wars van genderrollen breng ik haar een reverence. Wat een mooi dier.
Een trapje verderop leidt me over prikkeldraad naar de Douvevallei en het Eeuwenhout, herbestemde stukken weiland waar de laatste twintig jaar alle perceelgrenzen zijn opgegeven.
In het verwilderde gebied maak ik een misstap en verzwik ik haast mijn enkel. Maar ik spot ook een biddend valkje, een speels roodborstje en een omgevallen boomstam die me herinnert aan de steunende triceratopskoe uit Jurassic Park.
Een verdacht gebleekt bot langs de wegkant maakt het knekelveld compleet.
De Rodeberg beklim ik moeizaam; ik heb niets eens de puf meer om een uitzichtsplatform te bestijgen. Het is niet erg ver meer, maar graad na graad wordt de hitte me teveel.
Aan een poëtische picknickzone eet ik een banaan, en ik pauzeer even om een ultralokale verkeersopstopping gade te slaan: twee traag de berg op kruiende golfkarretjes blokkeren een drietal ruiters, niemand kan een kant op. De wereld is een hellend vlak.
In het Hellegatbos loop ik helemaal verloren. Ik kom uit op het amfitheater De Kosmos, en slechts met wat geluk vind ik de wit-rode-markeringen terug.
Dorst heb ik, maar moet nog een paar kilometer.
Langs een weg priemen boven een gridnbetonnen afschutting van een landbouwbedrijf twee mechanische, ten hemel gestrekte armpjes. Ze doen me aan WALL·E denken, Pixar’s onverdroten minnende robot.
Eindelijk in Westouter loop ik langs een beenhouwerij waarvan de eigenaar de boeken dicht moest doen, naar eigen zeggen na herhaaldelijke pestcontroles door het Federaal Voedselagentschap. Grote affiches over paperassen en regelneverij moeten die beslissing staven. Aan de gevel prijkt nog de kop van een rund. Adieu belle bête, morceau de viande, tranche de ma vie.
Op de militaire begraafplaats rond de Sint-Eligiuskerk, Westouter Churchyard en Extension, lik ik mijn vooral spreekwoordelijke wonden. Want 101 soldaten liggen er: de meesten Britten en strijdkrachten uit de Commonwealth, maar ook drie als beesten gevallen Duitsers, onder wie deze Robert Glass, herdacht met een eenvoudige, rechthoekige gedenksteen.
Daarom, voor hem, voor hen ditmaal in het Duits, Wilfred Owens ‘Anthem for Doomed Youth’.
Was läutet denen heim, die da wie Vieh verrecken? Nur der Aufschrei der Kanonen, Gewehrgeratter nur geleitet sie mit hastig hingestotterten Sermonen. Kein Spott: keine Gebete, keine Glocken, die trauern, keine Stimme, nur die Chöre –– schrille Patronenchöre, die sie schocken, und Hornruf –– heimwärts –– wenn es doch so wäre.
Huiswaarts gaat het dan ook voor mij, ingetogen, uit deze geschonden streek.
Voor het schooljaar weer toeslaat besluit ik in het laatste weekend van augustus een stuk van de GR5A te wandelen dat vanuit West-Vlaanderen wat moeilijker bereikbaar is. Ik trek de grens over naar het Zeeuwse deel van het Waasland. Over de relatief korte tocht van 17,5 km zal ik een kleine vier uur doen.
Op mijn allereerste etappe na ben ik tot dusver altijd met het openbaar vervoer onderweg geweest, maar vandaag blijkt dat onbegonnen werk: ik zou anderhalf keer langer onderweg zijn dan heel de wandeling duurt, en dat is me toch te gek. Ik kruip dan ook vroeg vanonder de wol en laad mijn fiets in de auto.
Het ochtendlicht begeleidt me richting Antwerpen, en in de buurt van Kemzeke wordt de drang om te stoppen en even een moment te genieten te groot. Op de brug over een lege E34 houd ik halt en zie hoe een waterig zonnetje tevergeefs door het ochtendgrijs probeert te gloren. Het levert fraaie plaatjes op.
Ik zoek een parkeerplekje niet ver van het Stropersbos in De Klinge, nog op Belgisch grondgebied, en spring dan op de fiets, om via de kortste route, nog steeds een kleine 10 km, naar het eigenlijke beginpunt van mijn route te peddelen. Mij bekruipt zowaar een vakantiegevoel.
Dat startpunt is de Gdyniabrug over het Zijkanaal naar Hulst, nu niet meer dan een gedenkbordje, maar in 1944 een baileybrug, een noodbrug in snelbouw aan wat nu de Derde Verkorting is, aangelegd door de Poolse Eerste Pantserdivisie. Met een verwijzing naar een van de twee zustersteden van Gdańsk gaven zij de plek ook zijn van heimwee vervulde naam.
Na de oorlog bleken die smalle eenrichtingsnoodbruggen flessenhalzen, en stukje bij beetje werden ze allemaal vervangen door bredere exemplaren. De oorspronkelijke brug ligt een eindje verderop in het Gdynia Museum, maar dat is zonder afspraak slechts op zaterdag te bezoeken. Ik besluit niet langer te talmen en trek eropuit.
Het ochtendgrijs ligt als een wattig deken over de velden. In de verte ontwaar ik silhouetten van bomen en pylonen. Af en toe weerklinkt de roep van een kauw, een fazant. Ieder moment lijken er wezens uit de akkers te kunnen opduiken. Het blijft verdacht rustig.
De mist versterkt mijn gevoel van afzondering, ook al hijgt er me zo om het kwartier wel een eenzame fietser tegemoet. Ik groet steeds passend bescheiden, maar voel geen vonk, geen diepere connectie. We zijn omhuld in kille zwachtels, hier is het ieder voor zich.
Alle wegen lijken dood te lopen. Het perspectief is afgeknot, verkort. Ik loop door een verengd stuk wereld, het scherp van de snee. Sieh, der Herbst schleicht her.
Helemaal vermijmerd mis ik haast een afslag over een sloot.
In dit verstilde landschap is de signaalkleur van de aangemeerde sloep een schreeuwende spat bloed. Keel op zilver en sinopel. Het is volmaakt windstil, geen riethalm ruist. Ik proef de obool op mijn tong en vat de oversteek aan.
Onderweg naar het landgoed Groot Eiland komt een bereden triumviraat het vluchtpunt uitgesneld. Op de bil van een van hen staat in koeien van letters FILET PUR. Ergens moet ik lachen. Ook ik steak een tandje bij.
Vlak voor het landgoed Groot Eiland vind ik op het GR-paaltje een bijna-aptoniem van een hekwerkbouwer: Ga-van-m’n-ARFMAN.
Op het brugje staar ik in de diepten van de sloot. Wellicht barst die van het leven, maar nu roert zich niets. Nergens een luchtbel, zelfs geen insect dat het oppervlak over glijdt.
Pas wat verder, op het kletsnatte wandelpad, gaat een fazant me minutenlang voor. Het beestje houdt zonder omkijken de afstand gelijk, en lijkt me ergens heen te leiden. Tot het eensklaps in de bosjes links verdwijnt, en me weer aan mezelf overlaat.
Aan het eind van het natuurgebied moet ik andermaal een brugje over.
De lucht wordt steeds intenser wit. Ik heb geen zonnebril mee, en rondkijken begint pijn te doen.
De zon, een uitgewassen vlek in de honderd tinten grijs, priemt net niet tevoorschijn. Langs de lanen staan de bomen wellicht strak in het gelid, maar van een afstand is het een komieke bende, met gestuikte dikkerdjes en scheve petaters. De rij lijkt een tand kwijt.
En dan is het zover. Pril blauw herkleurt het landschap.
Een bordje herinnert me eraan waar ik me bevind. Daer maecte hi hem te Vlaendren waert / Ende quam in Waes, int soete lant – ik, zeer Bruin de beer.
Ik loop op lege wegen.
Aan een plas in de Oude Vaart zit een man te vissen.
En dan is het al ajuin wat de klok slaat. Honderdduizenden uien moeten er liggen. Niet alleen mijn gemoed schiet vol.
De zon is er nu even helemaal bij. Op weg naar Hulst lichten de laatste gewassen op. Hun kleuren zijn betoverend, verzilverd haast.
In de verte lonkt de toren van de Sint-Willibrordusbasiliek.
Maar dan gaan de hemelsluizen open. Haastig schiet ik mijn regenkledij in. Het veranderende licht was een voorbode, zo blijkt, en kilometers lang plenst het water me voort. Pas eens ik de stadsring voorbij ben, houdt het even op.
Een pompstation met een wel heel explosieve naam markeert de weg naar de stadsomwalling van Hulst. Sommige lieden kronkelen op vreemde manieren.
Iemand prijst ook PR⋃IMEN en AARDBEIEN aan middels een met de hand beletterd bord. Voor dat soort ambacht voel ik grote achting.
Gestaag gaat het richting centrum. Het doet goed weer in Nederland te zijn.
Ik bereik de stadswallen, die nog stammen uit de Tachtigjarige Oorlog, begin 17de eeuw. Tussen de 8 en de 10 meter hoog zijn ze, en straks loop ik er een flink stuk bovenop.
Voor ik de Dubbele Poort doorga meent een meeuw even naargeestig te moeten schreeuwen.
Weerom slaat het weer om. Opnieuw begint het te druppelen. Aan de Nieuwe Bierkaai neem ik snel het centrum in me op, en besluit toch even naar de basiliek te lopen.
Ik passeer het Refugium van Cambron, de zetel van de rentmeester en tevens gebruikt als graanopslag van de cisterciënzerabdij van Cambron, een halve wereld verder in Henegouwen (vandaag deel van het domein van Pairi Daiza). In het metselwerk zijn geglazuurde runentekens te vinden, bedoeld om onheil af te weren.
Wanneer ik het hoekje omga, kroont een luifel me tot Prince of Wales, doch een steenworp verder ascendeer ik al tot koning van Engeland. Het gaat snel. Mijn aderen kleuren even blauw als mijn regenjack.
En dat is nodig, want intussen is Gods water gebroken. Ik wil de Willibrordusbasiliek in vluchten, verkozen tot mooiste kerk van Nederland, maar daar is een dienst aan de gang en ik word vriendelijk maar kordaat in het portaal gemaand. Nog nadruipend durf ik geen vin te verroeren, omdat elk beweginkje, hoe schuchter ook, de glazen deuren voor en achter me doet openschuiven. Vanuit mijn limbo zie ik hoe men het lichaam van Christus neemt, breekt en eet.
Eenmaal verlost uit mijn benarde situatie door een intredende ziel zet ik mijn tocht voort over de stadswallen. Niet ver van de Gentse Poort tref ik het monument aan voor Reynaert. Hi hadde te hove so vele mesdaen / dat hire niet dorste gaen, lezen we bij Willem, en jawel: ook in deze opstelling onttrekt de sluwerd zich aan het hof door buiten de quasi-tweedimensionaliteit van het fries te blijven.
Via de bedding van de voormalige spoorlijn Sint-Niklaas – Hulst gaat het daarna verder.
In de Clingse Bossen is Agent Orange langsgeweest: tal van bomen zijn gemerkt met een feloranje stip. Zij zijn voorbestemd voor de commerciële houtkap, lees ik. Wat jolig scheen stemt droef.
Ik verlies er zowaar het noorden van.
Ik passeer de vanwege corona gesloten paalkampeerplaats Zoetevaart, waar je in beter tijden een bivak kunt opzetten. Het idee trekt me aan, maar helaas gaat Staatsbosbeheer de Nederlandse natuurbivaks definitief sluiten wegens te veel overlast, verneem ik later. Het was te vrezen dat een kudde malloten een schitterend idee om zeep zo helpen.
Het blijft hard regenen. De weggetjes worden drassig, mijn schoenen houden het niet meer.
Onder mijn zolen knerpen bij elke stap een tiental eikels. Eikels!, denk ik elke keer opnieuw, Eikels!Eikels! Eikels! Het davert in mijn hoofd, obsessief. EIKELS! EIKELS!
De richtingpaddenstoel naar de grens doorbreekt de kortsluiting.
Het landschap wordt sprookjesachtig. Haast alle lage takken zijn bedekt met een zilvergroene laag bosschildmos, determineer ik achteraf (hopelijk correct).
Het bos herbergt ook een bevreemdende dekzandvlakte. Met al zijn methodisch getrokken lijnen lijkt dit het Zeeuwse Nazca wel. Even voel ik mijn innerlijke Von Dänicken zich roeren, maar dan sta ik dan weer met beide voeten op de grond.
Om me heen dreigen intussen de naaldbomen. Ze hangen over me heen, treurig maar obstinaat sinister ook, met een palet dat verval ademt.
De roeste plekken op het schaarse gras zingen hun corrosie: Gimme siren, child, and do you hear me call?
En dan bereik ik de gietijzeren grenspaal 277, geplaatst 13 jaar na de stichting van België, nadat op een conventie in Maastricht de precieze afbakening is bepaald.
Veel later, lees ik, nadat in 1914 het Waasland in Duitse handen viel, was de grensovergang in De Klinge erg aantrekkelijk voor smokkelaars, die zich in het neutrale Nederland bevoorraadden. Het duurt niet lang voor de bezetter een elektrische omheining optrok, de zogeheten Doodendraad, 2000 volt sterk. Honderden verloren over de gehele grensstreek hun leven.
Hoe anders is het nu, in het Europa van 2020, waar – coronabarrières niet te na gesproken – de grenzen permanent geopend zijn.
Wandelen op de GR-paden, die historisch met elkaar verweven streken en naties elkaar verbinden, voelt als je ongemerkt grenzen kruist aan als deel van het vredesproject dat de EU nog steeds ambieert te zijn. Geconfronteerd met prikkeldraad en hoogspanning uit een niet eens zo ver verleden is die gedachte des te acuter. Deine Zauber binden wieder, was die Mode streng geteilt – geen ijdel motto.
Door een deugddoende gezinsvakantie in Oostenrijk is het is inmiddels meer dan drie weken geleden dat ik nog eens onderweg was op de GR5A. Hoog tijd om de draad weer op te pikken. Vandaag trek ik andermaal de Denderstreek in, en wandel van Nederhasselt naar Aalst. Alles samen doe ik vijf en een half uur effectief over de 25 km.
Mijn reizen is ook altijd een beetje treinen, en daarin heerst tot nader order mondermaskerplicht. In een verder leeg stel doe ik mijn plicht en behoed ik mijn vele imaginaire vrienden voor mijn kwalijke wasemingen. We naderen Zottegem. Dat kan geen toeval zijn.
Het overstappen op een bus gebeurt in Denderleeuw, waar ik mijn burgerzin op het uitgestorven stationsplein verder kan etaleren. Zie mij gaan, zie mijn gaan, met mijn mondmaskertje aan!
Om mijn daden toch enige fundament in de realiteit te geven neem ik poolshoogte in het bakkerijtje om de hoek. Mijn medemensen in de rij weten zich veilig. Ik koop een après-midi’tje om de tijd uit zijn voegen te krijgen, maar die wil niet zo. Nul op het rekest.
Het is 20 minuten rillen op het bankje aan de halte. De lucht is grijs en kil. Er staat een gemene wind die guurt en schuurt. Doorgaans heb ik het niet snel koud, maar ik huiver. Dit is geen goed begin.
Op voorhand heb ik op de kaart gezien dat de bus me langs een wijk zou rijden die Slettem heet, maar awoert: er staat geen bebouwdekombord, dus elke reële bevestiging van die toponymische zedeloosheid ontbreekt.
Die ontgoocheling hangt nog in mijn kleren als ik land in Nederhasselt. Ik stroom uit de bus zoals de parochianen uit het kokette kerkje. Onwennig staren we elkaar aan.
Ik wacht tot de congregatie haar weg naar buiten heeft gevonden, en laaf me binnen aan de meervoudige warmte. Naast een zilveren kandelaber staat vredig een herbestemd kuipje aardse geneugten. Samen streven naar het hogere. Lift me up, Lord Jesus.
Ik raak niet meteen weg; er gaat een eigenaardige aantrekking uit van deze 12e-eeuwse Sint-Amanduskerk. Maar uiteindelijk, aan de heiland voorbij, vat ik uiteindelijk toch mijn tocht aan.
Eindelijk kan ook het masker af: sportwandelen kan onbeschermd, verordende een infobord.
Onder een loden hemel trek ik de akkers in. De maïs staat hoog, mijn blikveld is beperkt. Ondergronds vergezelt me een gasleiding.
Ik weet niet wat het is, maar het landschap irriteert me. Het is troosteloos, eentonig, en ik word nerveus van de mountainbikes die me telkens weer van achteren voorbijschieten. Ik voel me niet goed hier.
Het ligt ook wel aan de muziek die ik op heb staan, wat ik gelukkig na enkele kilometers inzie. Ik had het idiote plan opgevat om de mij relatief onbekende vroege albums van King Gizzard and the Lizard Wizard integraal op te zetten, maar de gesyncopeerde ritmes zorgen voor onrust en onbehagen, en ik besluit in stilte verder te stappen. Een leeg kader helpt me weer te focussen.
Ik loop door een holle weg, aan het eind van de tunnel ontwaar ik licht.
Dat licht blijkt afkomstig van Kapel Ruysbroeck, waar ik rust vind in een moment bezinning en een boterham met cheddar.
Kauwend merk ik een QR-code op die me naar een podcast van het project “Het Bankje” wil leiden, onder de auspiciën van OPENDOEK, de koepel voor amateurtheater in Vlaanderen en Brussel. Ik ga er even voor zitten, en ineens ben ik getuige van een bejaardenroof, hoe Gusta haar bloedeigen moeder uit de covidgreep van het zorgcentrum bevrijdt. Als een vroege herfst dwarrelt de colour locale om me heen.
Niet veel verderop vind ik naar verluidt de BESTE PLANT. Een buitenkans: die wil ik op plaat! Ik vraag haar even te poseren, en ze volgt gedwee.
Ik klim verder en dwars in Lebeke de baan. In een bolle verkeersspiegel als uit een lachkabinet maak ik een somber zelfportret.
Ook al klaart de hemel wat op, mijn gemoed is weer onder het nulpunt gezakt. Het helpt aanvankelijk ook niet dat een rafelig gemaskerd paard me tegemoet snelt, aandravend als een schim uit een vergeten steekspel. Maar het blijkt aanhankelijk, en volgt me een eindje langs de prikkeldraad. Mijn stemming kantelt.
Verderop leeft een toom kippen onder de velerlei blikken van wel zeer divers pluimage. Een rastafaria chillaxt broerderlijk naast een whatsappende kabouter, twee moriaantjes snellen toe bij een blaffer met dolle ogen. Waar ben ik in godsnaam beland?
Ik loop verder door ruraal areaal. Soms zijn de paadjes strakwitte linten door de weilanden, soms voert de weg me voorbij stokoud langbouwgoed. Het doet deugd even de zon op mijn schedel te voelen.
Een enkele keer passeer ik ook de schaduwzijde van zonevreemde industrie, waar de regen van de afgelopen dagen een papperige ravage heeft aangericht.
In een met herassen dubbel afgesloten wei staart een armlastig schaap me unverfroren aan.
Ik merk een coloradokever op die een kleine last met zich meetorst. Voorzichtig tracht ik het sprietje van zijn schild te vegen, maar niets lijkt te lukken. Ik voel me machteloos, inadequaat. Het beestje lijkt het gelukkig niet te deren.
Tussen Denderhoutem en Welle, in de Eigenstraat, schiet ik een selfie. In weerwil van het nieuwe verkeer ik in een permanente staat van déjà vu.
En dan houd ik toch even halt voor de lunch. Vlak voor een tweesprong aan de Wildebeek – in werkelijkheid niet meer dan een modderig piesstroompje – ligt een stapel oprtittegels. Ik neem plaats, klik mijn trommeltje open, en geniet van het uitzicht op een schaapkooi.
Weer onderweg gaan alle sluizen open. Een onbeschut stuk pad in Welle lijkt een eindeloos golvende stroom te zijn geworden. I ain’t no Jesus, but I walk on water.
Zodra het weer droger wordt, valt me voor het eerst de slungel op het snelheidsmatigingsbord SPELENDE KINDEREN op die op het eerste gezicht een makke lobbes lijkt, maar in feite de kleinere loebas een dreun verkoopt. Tot zover de teamgeest. Niet alleen het wegdek is blijkbaar gebrekkig, maar ook de onderlinge verhoudingen in deze wijk.
Een ogenblik sta ik stil bij het station van Welle, waar op de sporen van de tweede golf na niets te beleven valt.
Een bordje wijst me de weg naar het natuurreservaat Wellemeersen.
Voor ik daar aankom moet ik echter een recente spoorwegbrug over, waar een bezorgde ziel NIET SPRINGEN ALSJEBLIEF in heeft gekerfd.
Door de expliciet gemaakte mogelijkheid hangt er iets naargeestigs over de plek, iets wat ook de eerste OILSJTerse falussen niet teniet kunnen doen.
Een heel eind trek ik langs spoorlijn 50.
In het natuurreservaat, een van de laatste overstromingsgebieden in de Dendervallei, haal ik weer adem. Het is er ingroen, en de lucht licht op in tin- en zilvertinten.
Ik passeer de kantine van de lokale RODE DUIVELS. De eindtijd lijkt ingezet.
Opnieuwd voel ik me niet veilig, overal dreigt gevaar.
Maar dan zie ik de eerste gallowayrunderen die het gebied begrazen. De aanblik klaar mijn geest wat op.
Op knuppelpaden trek ik steeds dieper de natuur in.
Ik kan het niet laten even in een boom te gaan hangen. Het kost me best wat moeite: enkele keren sla ik roemloos te pletter op de stam voor ik me rechtstreeks aan de doorhangende tak haak.
Verderop sla ik een tijdlang nog een kudde galloways gade. Het zijn verrassend kleine dieren, die gestaag de wei afgrazen.
Een kalfje demonstreert in natura waarom in het Engels een weerborstel een cowlick heet.
Via een levensgevaarlijk hekwerk, dat een andere wandelaar attent met roodwitte linten heeft trachten te beveiligen, bereik ik de Dender.
Ik besluit even mensjes te kijken, tot plots een man vastberaden mijn vizier in komt trekkebenen. Ik weet niet wat van hem te denken.
Onder de brug in de E40 heeft iemand een verwensing gekalkt die meteen ook als antwoord fungeert voor al wie het zou aandurven iets over de idiosyncratische spelling te zeggen. Een waar meesterwerk.
De muren van een kleinere tunnel grossieren in nog meer grafitti.
Ik eet een banaan. Als ik de schil wil weggooien, blijft die in het hoge struikgewas naast de autostrade bungelen. Niets ben ik waard.
Wat verderop, in Erembodegem, moet ik onder het station door. Het GR-logo lijkt gestraft, zo scheefweg in de hoek gedouwd.
Nog in Erembodegem loop ik onder een spoorwegbrug die architecturaal zonder enige twijfel het hoogtepunt van deze etappe is. De blanke betonpalen en aangeslagen gewelven verlenen het geheel een haast Romeinse grandeur.
In een woonwijk een eindje verder, in de kapel van Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen, is een Fonske – ‘zoet gevooisd van tale’ – met een gedenksteen vereeuwigd:
De kapel herbergt nog wel meer mooie boodschappen:
Langzaamaan nader ik het Osbroek, een nieuw natuurgebied op de rand van Aalst. Een haag langs het pad ernaartoe doet me met zijn organische stulpingen aan Gaudí denken. Gaudíamus igitur, grinnik ik.
Het Osbroek zelf is een verstilde plek met mistroostige meertjes.
Op een paaltje draait een gehavend lieveheersbeest vertwijfelde rondjes. Hulp kan niet baten, maar ik deins terug voor de genadeslag.
En dan loop ik door het Stadspark Aalst binnen.
Op een langgerekte vijver zie ik op lange poten een winkelend waterding aan het werk – deel van een kunstenfestival, zo blijkt.
En dan loop ik plots door het stadscentrum. De Sint-Martinuskerk steekt sacraal af tegen de blauwe hemel.
Maar in deze stad wordt het sacrale uitgebalanceerd met het wereldse, weet ik, wat een enigszins puberaal opschrift in een steegje bevestigt.
Op de markt slaan het stadhuis en het beeld van Dirk Martens me met verstomming. Ik had er geen benul wat een plaatje deze binnenstad zou zijn.
Maar ondanks (of net door) de gezellige drukte voel ik me zielsalleen. Ik vind geen aansluiting, bij wie ook. Iedereen lijkt druk in zichzelf gekeerd. Het wandelen is verloren lopen geworden.
Ik koop nog snel een döner, die ik schichtig opeet op het stationsplein. Want mag dat wel in deze tijden, zomaar op straat iets eten?
Als de trein zich aankondigt, besluit ik een streep te trekken onder deze etappe, en laat ik Aalst achter me. Maar niet voorgoed, neem ik me voor. Ik keer naar deze stad terug. Blijer, anders gemutst. Met niet Claus, maar Boon onder de arm.
Omdat ik geen maat kanhouden en altijd moet overdrijven, althans dixit mijn vrouw, wandel ik vandaag een traject van de GR5A dat in mijn topogids eigenlijk twee dagtochten beslaat: Bornem – Dendermonde (23 km) en Dendermonde – Aalst (20,5 km). Na de eerdere tochten van 35 en in 37 km, beide lastig maar haalbaar, ga ik ervan uit dat dat wel zal lukken, als ik er tenminste flink de pas in hou en tijdig vertrek. Toch is het een fikse opgave: in totaal zal ik er 10 uur effectief over doen, en wandel ik, met enkele zijslenters en fourageringsmanoeuvres, bijna 47 km.
Het daghet nog in het oosten wanneer mijn dag al begint te krieken. Ik moet de trein van 5:27 halen, en dief door de nacht. Er is geen ziel op straat. Zwart mengt zich met oranje en blauw. Perrongedachten.
Na een onwaarschijnlijke meevaller in Gent-Sint-Pieters (spurtje, juiste trap, bovenkomen aan de enige geopende deur, een (misschien het rijm ter wille) welwillende conducteur) arriveer ik iets voor 7 u. al in Bornem. Mijn halve dodentocht kan beginnen.
Zoals overal in Vlaanderen is op het marktplein de dienstdoende sokkelheld georneerd met een mondkapje. Ook de Boerenkrijg is met de glimlach steriel gemaakt. Ik doe nukkig mee – op het hele grondgebied Antwerpen geldt maskerplicht.
Een in een andere strijd gevallen krijger ontwijkt me met holle ogen; het zijn die van de moeder die star geknakt de mijne kruisen. Even wordt het stil en kil. Veel monumenten sturen en manipuleren, maar in dit geval maakt het me niets dat het wat van me wil. Ik geef me eraan over. Adem in. Houd stil.
Volgens de kaart start de route op een steenworp van het luisterrijke Kasteel Marnix van Sint-Aldegonde, maar op een bordje na kan een bescheiden wandelaar als ik daarvan helaas zelfs nog geen glimp van opvang. Alle toegangswegen zijn versperd. De kilometers statige lanen en dreven in het natuurgebied van dit domein ronde de Oude Schelde lonen gelukkig evenzeer de moeite.
Toch is het zonde dat er nergens een doorkijk is naar het slot, al was het maar van op afstand. In het bos zijn er daartoe nochtans open plekken te over.
De poort is dan wel geopend, maar van harte is het geenszins. Echt gastvrij voelt het niet.
Een kaduuk zitbankje smeekt een zinnebeeld te mogen zijn. Ik zwicht en druk af. Het is genoegzaam bekend: met hoge heren is het is kwaad kersen eten.
Ik groet een half handvol bonte lycralopers die hun vroege rondjes draaien, maar doe zelf van trage wegen.
De wegkanten stikken van de slakken: geen naakte vleesdrollen op de grond, maar ranke rietklimmers als deze, slijmdraden trekkend als volleerde spinnen. Ook hier maak ik tijd voor een saluut. Na, Herr Schneck?
Ik laaf me aan de onophoudelijke stroom zijriviertjes, de talloze meertjes en kreken.
Het licht schakeert van goudvuur tot zilverling, wisselt iedere bocht en elk kwartier. Het groen is overweldigend, omvattend organisch. Kun je fotosynthese ruiken?, vraag ik me af. Het is te zonde voor zoiets mijn digitale detox op te geven. De vraag blijft in de ochtendhemel hangen.
Langzaam voel ik me één worden dit Oude Scheldeland. Het dringt bij me binnen, ik ben permeabel, een gulden vlies. Wildeman, de roep van een faun. Ook ik draag aan de kosmos bij.
Een wegwijzerpaal wil een schimmelstaart zijn. Ik gun het hem. Alles ligt in mijn macht. Ik ben alleen, maar met mij zijn er velen.
En in de verte spot ik de eerste ree van de dag. En schichtig silhouet nog, maar hoezee: een ree, een réé!
Ik steek een weg over en duik een wandelpaadje in. De idylle bedriegt – het moet al dood dat leeft, ook de sterren. (H. Claus) Op de grond groet ik wat rest van Broer Konijn.
Verderop waggelen enkele jonge fazanten, en doordat ik die probeer te filmen, heb ik geen oog voor het grote wild dat zich schuilhoudt in het struikgewas. Ik schrik me suf als het het plots op een rennen zet.
Het pad leidt naar de Schelde. De waarschuwing aan de voet van het talud neem ik in acht, maar al wat ik zie, is een kudde wel heel rare paarden.
Het uitzicht op de dijk overrompelt me, het felblauw van het zwerk snerpt me bruusk wakker. Ze doet me wat, de Schelde, die me vanaf nu een heel eind zal chaperonneren.
De lockdown is nog niet zo gek lang opgeheven en de luchtvaart komt nog maar pas op gang. Na al die weken bevreemdt een hemel vol condenssporen. Der zerschnitte Himmel / von den Jets zur Übung zerflogen: die obstinate riedel Neubauten weet ik maar niet uit mijn hoofd te slaan. Dat soort melancholie kan ik nu niet hebben. Vade retro!
Nabij het gehucht Branst moet een vlucht duiven vallen. Het is verder zo stil dat ik niets dan hun wiekslagen hoor, het snorren van de wind door hun veren terwijl ze rondjes draaien, oplichtend in de ochtendzon. Kwart voor negen is het maar, en ik heb al zo veel indrukken gehad dat ik met mezelf soms geen raad meer weet.
Enkele huizen in Branst zijn vreemd opgetuigd. Een zwaardvis prikt werkeloos de hemel lek, en een lokale Lady Liberty heft naast de gouden deur haar lamp. Een ogenblik denk ik na over het waarom van dit alles, maar besluit al gauw de dingen te laten wat ze zijn.
Langs het jaagpad zelf bewaertMaria al die vaert vanuit de boot van de laatste parlevinker op de Schelde – een drijvend superettetje van weleer.
Een wielertoerist gebaart dat ik een masker aan moet. Dit is Antwerpen, de regels zijn nog niet lang aangescherpt, en ik wil geen gedonder. Ik geef toe. Absurd, zo nagenoeg alleen op een weidse, vrije plek als deze. Maar het jaagpad is er voor iedereen, en wie weet wordt het straks drukker.
Ik kom aan in Mariekerke, een heerlijke plek waar ik het eerste veer zal nemen.
Het lommerrijke kerkje ligt enigszins verscholen, ‘als een verrassing, vlak bij de Schelde, die er een bocht maakt in de richting van Sint-Amands’, schrijft Dr. Jozef Muis in 1932. ‘Achter de kerk is er niets meer dan ruimte van hoogen hemel en glimmend water waar booten voorbijvaren. (…) In de verte, links en rechts, ziet ge de oevers van Vlaanderen en achter de dijken (…) een paradijs van groene weiden met de erkennelijke torens van Moerzeke, Hamme en Thielrode opschietend van tusschen de boomkruinen.’ Oud land door mensenhand.
Voor de kerk staat een hagelwit beeld van de uit Mariekerke stammende priester-dichter Jan Hammenecker, die begin vorige eeuw dit Scheldeland bezong.
‘k Zal zoolang ik ademhale, spreken met ontroerde tale over u, mijn Scheldestroom!
’t is al lang dat ik bedolven ben in uwe blonde golven, dat ik mij ver ‘schelderd’ droom;
dat ik ben gelijk het water, dat ik bij me zelve tater zoo de baartjes in het riet;
dat ik voel mijn harte zwellen, dat ik voel eruit op-wellen mijn, O Schelde, en ook uw lied!
Gij kent enkel twée gebaren; of de zee komt afgevaren, en gij zwelt en wordt een zee;
of gij ligt ootmoedig neder; want gij gaaft uw volheid weder aan wie volheid schonk: de zee
Wie zal mij mijn Schelde ontrooven! Wie de liefde in mij verdooven, die mijn hart voor haar vervult!
Het is een waar genoegen die stroom over te mogen steken, zelfs tweemaal vandaag. Het veer ligt op me te wachten. De veerman gebiedt, en ik gehoorzaam graag, ook zonder fiets. Maria mag dan wel waeken: veiligheid voor alles.
Aan de overkant loop ik meteen door, tot wanneer plots een ree van ver uit de bosrand naast de dijk het talud over komt gestoven. Het houdt niet op.
Ik steek de landengte van Hamme over op verhoogde lanen met sprekende namen: Kasteeldreef, Bellemansdijk, Blankaertschenslaper. Het gaat richting Moerzeke. Alles is er groen en uitgestorven.
Dichter bij het dorp komt een paard naar me toe waarvan ik vermoed dat het gewond is, maar dat met een vliegennet blijkt verzorgd.
De zon zengt. Een drenkkuip is bezweken, ligt met stramme poten omhoog.
Op het jaagpad loop ik naar Kastel toe.
Daar zal ik opnieuw het voetveer zal nemen. Het zit me mee, de boot ligt op me te wachten.
Als ik afstap, lachen me Baasrode rozen toe.
Ik passeer een visvijver-met-samentuin waar een bordje me in weerwil van zijn boodschap aantrekt. Typografisch is het zo’n eigenzinnig ding dat ik niet anders kan dan het complimenteren. Een welgemeende D.U. is mijn deel.
Even moet ik vertragen omdat ik – ha – een toeristische weg nader.
En voor ik het weet sta ik weer op het talud van het jaagpad.
Ik houd even halt onder de Vlassenbroekbrug, waar me een toekomst in het vooruitzicht wordt gesteld. Van binnen juich ik zacht.
En dan ben ik er, in Dendermonde, met zijn heerlijke kaden in avondtoilet en zijn obsceen bevlagd stadhuis. Ik sta me toch wel even te vergapen op het marktplein.
Ik las een broodnodige stop in, en nuttig een overheerlijke carbonara in La Piazza. Drie kwartier lekker niksen. Het is middag: de eerste dagtocht zit erop.
Wanneer ik voortstap, is zowat het eerste wat ik zie het jonge beeld van Jan Desmarets getiteld Levensvreugde.
Ik voel me heel hard aangesproken en ga een zwaaigesprek aan met een kleurtertje dat zijn mollige armpjes door de terrasspijlen wurmt. Als ik me uitgezwaaid nog eens omdraai, zie ik nog net zijn zoekende vingertjes.
Ik bevind me aan het sas in de Oude Dender, een prachtige plek. Het is windstil, en de reflecties op het polijstvlakke water zijn niet van deze wereld. Naar deze stad moet ik zeker terugkeren.
Aan de stadsrand voert het pad me langs een vijver vergeven van de blauwalg. Niet gezond, maar mede daardoor een bevreemdende plek.
Eens de stad uit bewandel ik typische GR-paden, met afwisselend verharde en onverharde wegen, tussen velden en weilanden. Zo onderhand heb ik het gevoel dat ik smelt, dat in mijn zog een slijmspoor blubbert en droogt.
Ik kruis de GR128, de Vlaanderenroute, die begint in het Franse kuststadje Wissant en eindigt in het Duitse Aken. Er is nog zo veel te ontdekken.
Het duurt even, maar uiteindelijk bereik ik de sluis van Denderbelle. Het is er relatief druk, met enkele fietsers die het gebied van de Beneden-Dender in willen, maar wat deert dat? Ik pleister ook even pas op de plaats – zo’n plek is het.
Naast het water torent een zwaluwufo. Het af en aan is me vertrouwd.
Onder een loden zon vervolg ik mijn weg op het jaagpad richting Mespelare. De romaanse kerk daar schijnt indrukwekkend te zijn, maar momenteel wordt die versteld. Wat moet, moet.
De aankondiging van een GEVAARLIJK KRUISPUNT mept me meteen wakker. Nagelbijtend vervolg ik mijn weg.
De vallei van de Neder-Dender is pittoresk maar schroeiend heet. Dit stuk komt op een zomerse dag als deze denk ik beter tot zijn recht al fietsend, als een briesje wat verkwikking kan brengen.
Gelukkig zijn er tal van interessante landschapselementen. Verrassend vind ik de Gargouille van Gijzegem, die zijn nederige woonwijk tot iets hogers verheft.
Bij de lokale Chiroafdeling tref ik een oude aanhangwagen aan van een vervlogen ASPI-fuif. Ik rust even uit en schiet een cheeky portret.
De Dender volgend loop ik het jaagpad af tot aan de Wiezebrug.
De hemelse rust die er heerst verleent de boog iets sacraals. Die kan niet altijd gespannen staan, dus ik neem even halt, neem alles in me op. Tranen springen in mijn ogen.
Met zijn rijke oevers en cultuurland is dit Denderland een groene parel. De beeldspraak kapseist wat, maar wat geeft dat?
En dan, eindelijk, bereik ik via Herdersem mijndoel van vandaag: Aalst. Mijn waterflessen zijn al even leeg en mijn tong is een lap leer, dus storm ik de eerste buurtsuper in die ik tegenkom. En hompel dan op beblaarde voeten door naar de geconserveerde Zwartehoekbrug, de poort naar het stadscentrum.
Alles doet pijn, maar ik dwing me erdoorheen. Een pictografisch drollenrijm doet me gnuiven. Hoe rijk is Vlaanderen niet aan dit soort kakje-in-zakje-poëzie? Ik inventariseer.
Ik ben maar wat blij als ik de Dender terugzie en het station voor me opdoemt: oef, ik heb het gehaald.
Een hemelse maar helse tocht was het, een aanslag op lichaam en geest. Maar wát een geseling, wát een genot.